tetterettet

PSALM 151

In zijn fascinatie voor godsteksten beperkt Boudewijn Tarenskeen zich niet langer tot de taal en context van lang vervlogen tijden. Gemotiveerd door zijn interesse in het debat over secularisatie en godsdienstig fundamentalisme vroeg hij acht vooraanstaande Nederlandse schrijvers een psalm te schrijven, teneinde ‘het domein van de canon te verlaten en plaats te maken voor actuele zienswijzen’. Ze zeiden ja. Zeven zangers zullen de psalmen zingen, met interrupties van een musicalster, bij de klanken van een orgel, in kerken liefst. 

appendix bij koning David
Het leek de componist een haast impertinent verzoek aan een levende auteur: een aanvulling schrijven op het oeuvre van de bijbelse David, de jonge held die met een steentje uit zijn slinger de reus Goliath velde. De krijgsman die koning van Israël werd, de muzikant en dichter die zijn lofzangen voor de allerhoogste doorspekte met menselijk lijden en verlangen. Een sterveling die zijn god met jij en jou aansprak; wie durft zo iemands oeuvre van een appendix te voorzien? Domineeszoon Freek de Jonge ziet er geen been in: ‘Met de gitaar onder aan het raam van God, een droom van elke zanger/dichter’, reageerde hij onbeschroomd. En ook de andere zeven schrijvers brachten Tarenskeen een blijde boodschap: Judith Herzberg en Maria Barnas doen mee, Willem Jan Otten, Mustafa Stitou en Ramsey Nasr. Ook Marjolijn van Heemstra en Hafid Bouazza stemden toe. Sommigen zonder veel bedenkingen, anderen toch (ook dat belooft veel goeds) tussen honger en huiver.

Tarenskeen: ‘Bij het zoeken naar schrijvers wilde ik een zo kleurrijk mogelijk tableau samenstellen, met dichters, romanschrijvers, essayisten en toneelschrijvers van uiteenlopende gezindten en overtuigingen. Gelovigen, afvalligen, twijfelaars en bekeerlingen van Jodendom, Christendom en Islam, denkers met uitgesproken opvattingen over religie en spiritualiteit. En ook nog eens hemelsbreed verschillend van stijl, discipline en leeftijd.’ In zijn voorstel aan de schrijvers schetste de componist de ontstaansgeschiedenis van de psalm als een mondeling overgeleverde dichtvorm, meer geëigend om te zingen dan te lezen. Maar iedere schrijver laat hij vrij in het kiezen van een vorm, een stijl, een idioom. Dat belooft een bont geschakeerde rijke oogst aan poëzie, aan lyrisch en verhalend proza, theaterteksten ook. Met ongetwijfeld naast schaamteloos pamflettisme ook menige diepzinnige overpeinzing.

samenhang en verstaanbaarheid
Versnippering ligt op de loer bij zo een baaierd aan vormen en stijlen, ‘daarom neem ik de vrijheid niet alleen als componist maar ook als eindredacteur op te treden’, neemt Tarenskeen zich voor. Psalm 151 wordt geen nummeropera of een concert in acht delen, ‘met het orgel als ceremoniemeester zal ik alle teksten tot een doorlopend geheel aaneen smeden. En ik zal nodig woorden en zinnen herhalen, vanuit esthetische overwegingen, om de muziek de tijd te gunnen om te ademen. Niet alleen de woorden gidsen de loop van de muziek, de muziek zelf eist ruimte voor ontwikkeling, soms los van de strekking van de tekst.’ Al die aanpassingen overigens in nauw overleg met de schrijvers, zo garandeert de componist.

De teksten moeten bovendien voor de luisteraars woordelijk verstaanbaar zijn, om toch vooral de noodzaak van boventiteling bij de uitvoeringen te voorkomen. Daarom zullen de meeste door solisten worden gezongen, met woordloze, zinnelijke evocaties door het koor als intermezzi, met echo’s van oosterse rituelen. Het orgel zal vooral dienen als schaduwkoor, meer dan als begeleider van de zangers. ‘De orgelmuziek is meer een vocale dan een instrumentale partij, onafhankelijk van het koor ontwikkelt hij zich vooral in harmonisch opzicht als aanvulling op de lineair gecomponeerde zangpartijen.’ Het orgel ademt mee.

rust, concentratie en Liza Minelli
Niet al te lichtvoetige psalmteksten, een vocaal ensemble, het kerkorgel en straffe houten zitbanken onder gewelven in kruisvorm bepalen het soortelijk gewicht van dit project. ‘Dat onderstreept dat in Psalm 151 het woord de muziek dicteert. Er zal een grote rust en duidelijkheid heersen, dat komt de concentratie van de zangers, de organist en de luisteraars ten goede.’ Maar deze fixatie kan gemakkelijk leiden tot starheid, een ongewenste sfeer van zwaarte en ernst. Hier brengt bijvoorbeeld musicalster Liza Minelli uitkomst, de schijnbewegingen die Tarenskeen haar zal laten uitvoeren staan haaks op de grondtoon van de psalmenmuziek. Zo voorziet zij de vormelijke ernst van de nodige schwung en elegantie van een musical als Cabaret. ‘Met haar aan het variété ontleende performance en haar muziek die zich onderhuids zal manifesteren (elke overeenkomst met de muzikale werkelijkheid berust op louter toeval) becommentarieert zij de muziek van haar medezangers.’

Dit is een delicaat concept, Tarenskeen omschrijft Psalm 151 als een bravourestuk, onder enig bescheiden voorbehoud. Maar dat komt wel goed, het zal tenslotte niet zijn eerste zijn.

 

 

 



Boude
wijn Tarenskeen

teksten van
Freek de Jonge
Hafid Bouazza
Maria Barnas
Marieke Lucas Rijneveld
Marjolijn van Heemstra
Ramsey Nasr
Mustafa Stitou
Willem Jan Otten

uitvoerenden
Cappella Amsterdam
Gerrie Meijers
orgel
TOEAC accordeonduo

boekingen, productie
Peter van Amstel

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.